BK-Books.eu » Wat Jezus werkelijk zei » De wet kwam niet van Mozes: een nieuwe visie op het Oude Testament

De wet kwam niet van Mozes: een nieuwe visie op het Oude Testament

Kernwoorden: , , , , , ,

In een vorig bericht meldde ik dat Margaret Barker onderzoek deed naar de historie achter christendom, Jodendom* en de Bijbel. Zij kwam tot verrassende conclusies over de godin die door de aartsvaders aanbeden werd, en die een enorme rol speelde in de tempelgodsdienst van de Hebreeërs, voorafgaand aan de Babylonische ballingschap van de bovenlaag van de Joodse bevolking*. In het voorliggende bericht iets meer over wat er veranderde toen de godin verdween, de Wijsheid (naam van de godin!) op de tweede plaats kwam, en Mozes en de wet de hoogste rang veroverden. Onze visie op de geschiedenis van Israël is aan een grote bijstelling toe. Omdat dit belangrijke aanvullende informatie oplevert vergeleken met het hoofdstuk daarover in WJWZ, hier nog een aanvullende uitleg.

* N.B. Ik gebruik voor de stam ‘jood’ een  hoofdletter als de etnische component daarbij volgens degenen over wie het gaat inbegrepen dient te zijn of door mij wordt inbegrepen, en een kleine letter als dat wat mij betreft niet zo is.

Het Oude Testament (of Tenach; door rabbijnen geselecteerd omstreeks 100 n.C. uit meest sterk geredigeerde oudere boeken) vertelt de geschiedenis van Israël vanuit het verhaal van Mozes en de uittocht uit Egypte. De ‘Openbaring der Weken’ (Weken = tijdperken), een van de onderdelen van het 1e boek van Henoch, vertelt hoe de Wet gegeven werd door middel van de visioenen van ‘engelen’, te weten ‘heiligen en rechtvaardigen’. Het verhaal van Mozes en de uittocht uit Egypte is evident van later datum en heeft de oudere visie op de geschiedenis van Israël verdrongen. Eerst was de wetgeving op de berg Sinai er een zonder Mozes. Het was een godsverschijning (theofanie). Mozes werd pas later aan het verhaal toegevoegd. Dat paste in het kader van de hervormingen onder koning Josia, niet lang voor het begin van de ballingschap. Josia baseerde die hervormingen op een ‘nieuw’ in de tempel gevonden boek dat wij nu Deuteronomium noemen.

Er zijn vele geschriften die niet in het Oude Testament terecht gekomen zijn, die de hervormingen onder Josia (die een groeiende strijd van enkele eeuwen beslechtte) beschouwden als een grote achteruitgang. Te weten de vervanging van de ware tempeldienst als fundament voor welzijn van land en volk door een legalistische benadering, eenzijdig gebaseerd op de wet die ten onrechte aan Mozes werd toegeschreven. In Henoch’s ‘Droomgezichten’ wordt verteld hoe in een bepaalde periode – te denken valt aan de tijd van de profeet Jesaja en daarna - het volk van Jeruzalem zijn betrokkenheid op en zijn visie (door middel van visioenen) van hun God kwijt raakte. Als de schrijver van dit geschrift de hervormingen onder de koningen Josia en zijn voorganger Hizkia (al twee eeuwen eerder en in dezelfde richting) positief gewaardeerd zou hebben, ligt het voor de hand dat hij dat vermeld zou hebben maar dat doet hij niet. Waarschijnlijk is het dat hij hun ‘hervormingen’ die in het huidige Oude Testament als positief naar voren gebracht worden, als afvalligheid beschouwde. Er is dus een andere visie op de geschiedenis van Israël dan die in het Oude Testament. In die ons bekendere visie wordt het verbieden van de Wijsheid die in Jeruzalem in de tempel vereerd werd, als het grote kwaad gezien. En zo zijn er nog veel meer aanwijzingen.

Het is niet bepaald eenvoudig om de gangbare visie op de geschiedenis die de wetten met een beroep op Mozes (die aan de geschiedenis van de wetgeving was toegevoegd) voorrang gaf boven de wijsheid, te doorzien en de feitelijke geschiedenis te reconstrueren uit de combinatie van (canonieke) bijbelse en (buitencanonieke) buitenbijbelse gegevens omdat de eerste vele sporen van bewerking vertonen. Bovendien zijn velen zo gewend geraakt aan de canonieke visie dat het een hele omslag is voor hen om deze op te geven ten gunste van een nieuwe visie die haar duidelijkheid ontleent aan een deels complexe reconstructie. Een reconstructie bovendien die hoewel goed verdedigbaar, een tamelijk ingrijpende verandering inhoudt. Voor het christendom betekent dit in feite dat zijn wortels liggen in de Hebreeuwse tempelreligie van vóór de hervormingen onder koning Josia. De vele parallellen zijn evident en betekenen een bevestiging en versterking van vele elementen in de Jezus vererende tak van het Jodendom en van het daaruit voorkomende christendom.  Christenen kunnen hun tradities en zichzelf daardoor nu beter begrijpen.

Joodse stromingen dat leidde tot de formatie van twee nieuwe, eigenstandige religieuze tradities (om het moderne woord ’godsdiensten’ of ‘religies’ even te vermijden) leverde namelijk zoveel behoefte aan een expressie van twee aparte ‘orthodoxieën’ op dat beide daarbij intern en extern tot het zich afzetten tegen ketters,  afvalligen of anderszins als ‘buitenstaanders’ kwamen, inclusief de definitie van de erkende ‘canons’ van heilige geschriften. De rabbijnse Joden hadden dat na de verwoesting van de tempel in 70 n.C. al omstreeks het jaar 100 gedaan. Daarbij kozen de christenen er voor (overigens pas omstreeks de derde en vierde eeuw van onze jaartelling) om de nieuwe rabbijnse canon over te nemen, de Tenach ofwel het Oude Testament. Zodoende konden zij zowel het gesprek met de rabbijnse Joden blijven voeren op een deels gemeenschappelijke basis als hun claim handhaven dat zij als christenen met hun Nieuwe Testament daaraan een eigen, te weten de betere, uitleg aan gaven en zodoende de ware voortzetting boden en de ware erfgenamen waren van de Joodse erfenis. Het motief om in gesprek te kunnen blijven op een gedeelde grondslag is zeker te waarderen. Het probleem is echter dat de Tenach ofwel het Oude Testament niet representatief is voor de Hebreeuwse tempelreligie van voor de ballingschap, van voor de deuteronomistische revolutie onder koning Josia. Want op die Hebreeuwse tempelreligie waren nu juist de ‘Henochitische’ en diverse Esseense tradities gebaseerd die aan belangrijke elementen uit de oude Hebreeuwse tempelreligie wilden vasthouden. Terwijl ook Johannes de Doper, Jezus en hun volgelingen evident streefden naar herstel van de eerste tempel, die van Salomo en gebaseerd op de nog oudere tabernakel, te illustreren aan vele elementen uit het Nieuwe Testament en daarbuiten, bijvoorbeeld de verwachte terugkeer van de tempel uit de Openbaring van Johannes en de evidente rol van Jezus als hogepriester daarbij.

Een van de belangrijkste elementen van de oude Hebreeuwse tempelreligie was de mogelijkheid van het ontvangen van boodschappen uit de hemel door middel van engelen (‘boodschappers’) die door de deuteronomistische hervorming was gereduceerd tot een navolgen van geschreven wetten. Een andere, zonder uitputtend te zijn, was het belang van het ‘eeuwige verbond’ dat gericht was op welvaart en welzijn van land en volk door middel van ondersteuning door de jaarlijkse riten van de ‘verzoening’. Bij die riten speelden de hogepriester en de priesters belangrijke rollen, net als de koning en de koningin-moeder; waarbij de koning en de hogepriester soms in dezelfde persoon verenigd waren. Niet minder belangrijk dan deze ‘hoogste engel’ en deze ‘engelen’  waren de met de verschillende voorwerpen uit de tempel, speciaal het heilige der heiligen, verbonden voorstellingen en betekenissen. Het heilige der heiligen is overigens een uitdrukking die niet ‘het heiligste’ betekent maar ‘het toebrengen van (laten delen in) heiligheid’. te weten de genade die door de heilige olie en zalvingen werd bewerkstelligd, vergelijk dat Jezus niet voor niets ‘de Gezalfde’  ofwel Messias heet! De levensboom gesymboliseerd door de zevenarmige  kandelaar of menora (beide verbonden met de godin). De beide cherubs boven de ark van het verbond, de ene mannelijk en de ander vrouwelijk. De Vrouwe van de Tempel (of koninginmoeder) die vereerd werd naast haar man en haar 70 zonen van wie Jahweh de oudste en belangrijkste was, tevens de Vrouwe, vaak in de gestalte van de Wijsheid, wier vertrek uit de tempel en uit Jeruzalem in vele teksten zo betreurd werd en die in de Openbaring van Johannes hoofdstuk 12 weer terugkeert, evenals haar tempel en haar Zoon in hoofdstuk 21 en 22. Dit zijn enkele uiterst belangrijke elementen maar er zijn er meer en ze verdienen het alle om opnieuw uitgebreid en goed bestudeerd te worden om opnieuw de rol te kunnen spelen die oorspronkelijk zoveel welzijn, evenwicht, genezing en heelheid beloofde. De wijsheid en de Wijsheid (Sophia) zijn in het christendom tot op de dag van vandaag niet vergeten maar zij staan op het punt ons opnieuw met hun geschenken te verrassen, en ons hun helende werkelijkheid mee te delen en te laten meedelen.