Boeken & artikelen

– Voor meer soorten publicaties zie het uitklapbare menu in de kolom links –

Eenheid van tegenstellingen en werkelijkheidszin: een oriëntatie in verband met Karl Marx’ Parijse Manuskripten, [doctoraalscriptie filosofie Universiteit van Amsterdam,] Tiel [z.u.] januari 1977

Man en vrouw zijn een: De androgynie in het Christendom, in het bijzonder bij Jacob Boehme; Utrecht (Hes) 1986; 341 pp.; [met titel en uitgebreide ‘summary’ in het Engels]; = proefschrift Rijksuniversiteit te Utrecht 11 september 1986; met voorwoord van de auteur; met XXIV Stellingen los bijgevoegd; [daarnaast tegelijkertijd bij dezelfde uitgever een handelsuitgave met dezelfde tekst maar met voorwoord van G. Quispel en zonder Stellingen] [Deze publikatie werd mogelijk gemaakt door de Bibliotheca Philosophica Hermetica in Amsterdam]

Overzicht van de verhouding tussen het mannelijke en het vrouwelijke als symbool van eenheid-in-tweeheid in het christendom, speciaal bij de verlichte schoenmaker-filosoof Jacob Boehme wiens grote invloed op vele religieuze, literaire en artistieke stromingen in de laatste eeuwen in Europa en Amerika een indrukwekkend bewijs is van de kracht en de actuele betekenis van de gnostieke traditie uit de eerste eeuwen van onze jaartelling. De oorsprong van de androgynie is God: de mens is naar het beeld van God geschapen. Als eenheid-in-tweeheid is de androgynie tevens een sterk levensbeschouwelijke symboliek, zowel spiritueel als filosofisch. Deze symboliek vertoont parallellen met Oosters denken. Zie uitgebreide ‘summary’ in het Engels.

‘Androgynie bij Jacob Boehme’ in: G. Quispel (red.), Gnosis: de derde component van de Europese cultuurtraditie, Utrecht (Hes) 1988 1e en 2e druk (143-164, een samenvatting van de voorstellingswereld van Jacob Boehme, in het bijzonder de androgynie, met opsomming van belangrijke parallellen c.q. van de historische en culturele betekenis)

‘Androgynie in de westerse kultuur’ en ‘Sporen van God de Moeder – Maria, Jezus, Sophia – in het christendom’  in het Jaarboek van de Interdisciplinaire Vereniging voor Analytische Psychologie (1988, 132-154; 1989, 52-95). Beide laatste artikelen zijn ook opgenomen in het nu volgende boek.

Voorbij het patriarchaat: tegenbeelden van de westerse kultuur: de relatie van westerse spirituele tradities tot de fundamenten van de kultuur; Kampen (Kok Agora) 1989; 222 pp.

Opstellen over de rol van androgynie in de cultuur. Duidelijk wordt dat de Westerse cultuur bij tweedelingen zoals man-vrouw, verstand-gevoel, God-mens voorrang heeft gegeven aan de ene boven de andere pool en dit tot basis van de cultuur heeft gemaakt (het heersende verbond van patriarchaat en rationalisme). Naast een verduidelijking van de oorsprong hiervan (bij de joodse filosoof Philo van Alexandrië kort na het begin van onze jaartelling ) worden vele voorbeelden gegeven van alternatieve mogelijkheden in de religie (in de joodse en christelijke gnosis, onder meer de evangeliën van Thomas en Philippus, en natuurlijk bij Jacob Boehme), de literatuur (bijvoorbeeld ook Gerard Reve) en de kunst, zodat duidelijk wordt dat wij op dit gebied nog steeds nieuwe keuzes kunnen maken.

Dogen Kigen, De Schatkamer van het Oog van de Ware Leer: Eerste selectie uit de Shobogenzo, met toelichtende informatie. Met een aanhangsel ‘Dogen over Boeddhanatuur’ (Prof. Masao Abe); Vertaling, inleiding en bezorging van de noten: B. Koole), Utrecht (Kosmos-Z&K Uitgevers B.V.) 1997; 224 pp.

In dit wereldwijd erkende godsdienstfilosofische en literaire hoogtepunt van het Japanse Zenboeddhisme zijn vele elementen samen- en tot uitdrukking gebracht die kenmerkend zijn voor het Oosterse, het boeddhistische en speciaal het Zenboeddhistische denken, terwijl tegelijkertijd de voorrang van de levenspraktijk wordt gehandhaafd. Onderdeel van deze elementen zijn hoe de werkelijkheid altijd als polariteit wordt ervaren en hoe niettemin de eenheid van de werkelijkheid gerealiseerd kan worden (eenheid-in-tweeheid), waarbij de ‘nietsheid’ een belangrijke rol speelt. Dit boek is ook van belang voor hen die de Oosterse wijze van omgaan met polariteiten en dualiteiten willen vergelijken met Westerse en omgekeerd. Dezelfde thema’s – niet-dualiteit of non-dualisme – blijken in Oost en West een rol te spelen.
Zie ook: A. Van den Braembussche, ‘De taal van het onzegbare: Een ontmoeting tussen Dogen en Derrida’, in: Filosofie 16/4 (2006) 4-8

Burton L. Mack, Wie schreven het Nieuwe Testament werkelijk?: Feiten, mythen en motieven (vertaling Boudewijn Koole), Deventer (Ankh-Hermes) 1997, 333 pp.

Wat was en is de fascinatie van de Bijbel, van het Oude en speciaal van het Nieuwe Testament? Wat waren de werkelijke inspiratiebronnen en motieven van de auteurs, wat waren de feiten en wat de mythen?
Als één ding met zekerheid van Jezus gezegd kan worden, is het dat hij niet de ‘stichter van het christendom’ was. Hoe kon het christendom dan zo’n succes hebben? Hoe verliep de aanpassing van Jezus’ ideeën aan de cultuur van de Grieken en de Romeinen?
Deze intrigerende kwesties zijn door Burton Mack overzichtelijk in kaart gebracht, zodat de lezer zelf van dichtbij meemaakt hoe de verschillende Bijbelboeken tot stand kwamen en hoe de vorming van de christelijke mythe en van de macht van de kerk in zijn werk gingen. Uit dit boek blijkt dat pas in de vierde eeuw het Nieuwe Testament, en de hele Bijbel hun definitieve vorm kregen. Voor die tijd was er geen Bijbel in de zin zoals wij die nu kennen, en evenmin een goed georganiseerde kerk of theologie.
Dit magistraal geschreven boek is voor iedereen bedoeld die geïnteresseerd is in de oorsprong van het christendom, in wat Jezus werkelijk leerde, in de achtergronden van het ontstaan van de christelijke Bijbel. En in de toekomst van onze cultuur.

Een kundige en informatieve bespreking van deze uitgave is: O. Mellink, ‘De mythen van Mack’, in: Interpretatie, december 1998, pp. 27-30. De slotzin: “Zijn durf om geen vraag ongesteld te laten, kan alleen maar geprezen worden.”
Opmerkelijk is dat Mack in dit boek ook een ruim aandacht schenkt aan het evangelie van Thomas (naast het oorspronkelijke boek Q). In een schrijven aan mij van 23 October 1997 naar aanleiding van de verschijning van deze vertaling zei mijn leermeester professor Gilles Quispel: ” Ik (…) ben natuurlijk blij met de positie van Thomas. Ik zelf zou meer nadruk leggen op Jeruzalem, Judees Christendom, Enkratisme en de historische Jezus. De hele ontwikkeling, die nu in gang is gezet, is van Utrecht uitgegaan.” Het is inderdaad opmerkelijk dat Mack in zijn boek zoveel aandacht aan het evangelie van Thomas schenkt, en het is ook een feit dat die ontwikkeling mede sterk van Utrecht uitgegaan is, door het levenswerk van Gilles Quispel via zijn nationale en internationale colleges en optredens, zijn publicaties, zijn leerlingen en zijn medewerking aan vele nationale en internationale TV-documentaires.
Zie over het onderwerp ook mijn bespreking van Marcus Borg, Jezus: gezocht en onderzocht: De renaissance van het Jezus-onderzoek, Zoetermeer (Meinema) 1998, en van J. Slavenburg, Opus Posthuum: Een onthullende blik op het vroegste christendom (30-70 n.Chr.), Deventer (Ankh-Hermes) 2001, 203 pp.
Louter ter aanvulling van het beeld is ook interessant het boek van G. Lüdemann, Ketzer: Die andere Seite des frühen Christentums: Studienausgabe, Stuttgart (Radius) 1995, 264 pp. met literatuurverwijzingen en registers (dit boek is inmiddels ook in het Nederlands vertaald). Met name hoofdstuk 3 over de geschiedenis van de Joodse Jezusbeweging in Jeruzalem (en omgeving) in de eerste twee eeuwen. Alsmede, het hele boek door, veel interessante feiten en overzichten en literatuurverwijzingen over de geschiedenis van de vroegste christelijke bewegingen (inclusief Jezus – begin van hoofdstuk 10 – en Paulus), al moet gezegd worden dat hij nauwelijks recht doet aan het in de vorige eeuw nieuw ontdekte materiaal van Nag Hammadi, wat een grote omissie genoemd moet worden. Een belangrijk bezwaar is verder dat Lüdemann zich vrijwel geheel tot joodse en christelijke bronnen beperkt; met andere woorden: de hele maatschappelijke context (de hierboven genoemde Borg is hierover juist zeer uitvoerig, althans wat Palestina betreft) en de verdere religieuze context ontbreken ook grotendeels in zijn interpretaties. Bij wijze van spreken alsof hij zeer uitgebreid schrijft over de religieuze ontwikkelingen onder conservatieve en liberale immigranten van islamitische herkomst (in Europa in onze tijd) zonder iets te zeggen over de context van de maatschappelijke en cultuurveranderingen in de Westerse (Europese) en Derde Wereld in het algemeen, en zonder vergelijking met andere actuele religieuze bewegingen. Zijn weergave van de wel gebruikte bronnen en zijn benadering zijn echter integer en verdienstelijk. Hij maakt een prettige en kritische indruk (al lijkt hij mij in de selectie van onderwerpen en visies een aantal impliciete keuzes te maken die hij niet verantwoordt: wellicht iets te eenzijdig passend bij actuele ‘kerkelijke’ en theologische tradities waaruit hij voortkomt).
Zie nu ook mijn lezing over Jezus, Thomas en het latere christendom: spirituele verlichting en maatschappelijke solidariteit.

Masao Abe, Zen en het Westerse denken (vertaling Boudewijn Koole), Kampen (Kok Agora)/Kapellen (Pelckmans) 1997, 228 pp.

Vertaling van de belangrijkste hoofdstukken uit het klassieke werk van de Japanse filosoof, dat zowel een voor ‘westerlingen’ toegankelijke presentatie biedt van de filosofie van Zen als een vruchtbare confrontatie van Oosters en Westers denken. Abe is de belangrijkste boeddhistische dialoogpartner voor Westerse theologen. In dit boek worden vele basisvoorstellingen van het Oosterse, speciaal het boeddhistische denken glashelder verduidelijkt en vergeleken met Westerse denkbeelden. Dit levert buitengewoon rijke inzichten op in het een zowel als het ander. Inzichten die voor de toekomst van de wereld, onze cultuur en onze religie van het allergrootste belang zijn. (Zie over Zen en Oosters en Westers denken de aparte Literatuurlijst Zen en Oosters en Westers denken.)

‘Inleidige [Inleiding]’, in: Quidam, Erme Job[: het boek Job in het Zeeuws vertaald door Hans de Vos, pseudoniem: Quidam], met Inleidige [Inleiding] en Literatuurlieste [Literatuurlijst], (eigen uitgave) 2006, ix, 84pp. (te verkrijgen bij de auteur: Hans de Vos@Planet.nl (0113-649993)); pp. i-ix

‘Psyche en werkelijkheid: een boekbespreking’, [bespreking van: Peter van Soest, Psyche en werkelijkheid: Perspectieven en grenzen van C.G. Jungs visie, 2004] in: Jung Bulletin j. 24 nr 2 mei 2007, 24-25

Wat Jezus werkelijk zei, Rotterdam (Synthese) 2012, met de kerngezegden van Jezus in kleur, 288pp. – reconstructie van Jezus’ oorspronkelijke boodschap en van de manier waarop daarvan nogal sterk uiteenlopende boodschappen over Jezus werden gemaakt door zijn vereerders totdat na enkele eeuwen door bepaalde groepen voor lange tijd een synthese werd gemaakt ten koste van de andere groepen: “het christendom” dat afstand nam tot de (andere) Joden die het rabbijnse jodendom vorm gaven (een christendom dat zich niet meer Joods noemde en ook meer en meer afstand nam tot de Joodse christenen, wat de christenen in oorsprong vrijwel allemaal waren) – voor na dit boek verschenen blogitems met discussie en verdere literatuur zie Wat Jezus werkelijk zei in de kolom links op deze pagina (‘Onderwerpen’ uitklappen)

‘De verbinding van de hoogste godheid met het menselijk leven op aarde zelf’ [oorspronkelijke titel: ‘Het DNA van mens en wereld volgens Jacob Boehme, of: magie en systeem‘], in het boekje: symposion ‘God is geestig’[:] Gilles Quispel: een eerbetoon aan de hermetische Gnosis, Haarlem (Rozekruis Pers) 2017, [= deel 38 in de Symposiumreeks,] 61-74

Een korte introductie van de belangrijkste inzichten van de beroemde filosoof als aankondiging van de grote publicatie over Jacob Boehme in 2018 bij de Bibliotheca Philosophica Hermetica met o.m de vertaling van zijn samenvattende geschrift “Theoscopia”, een uitvoerige inleiding in zijn denken, en vele artikelen over zijn invloed onder meer in Amsterdam in de Gouden Eeuw.