De tempel van Salomo herstellen

[Op deze pagina:]

[Hoofdtekst]

De christenen beschouwden zich als degenen die de tempel van Salomo in ere herstelden, en de christelijke theologie groeide snel rondom deze fundamentele aanspraak. Ongeveer 40 jaar geleden schreef Martin Hengel in verband met vorming van de christelijke leer het volgende: “… men is geneigd te zeggen dat in deze periode van minder dan twee decennia meer gebeurde dan in het geheel van de volgende zeven eeuwen tot en met de tijd dat de leer van de oude kerk voltooid was.”1 Hij schreef over de titel ‘zoon van God’, die deel uitmaakte van tempelonderricht maar zijn waarneming is van toepassing op tempeltheologie als geheel: Hoe wisten de eerste christenen zoveel, zo spoedig?

In het Nieuwe Testament is er een dubbelzinnige houding tegenover de tempel:

  • Jezus dreef de handelaren uit de tempel, bewerend dat het huis van gebed een rovershol geworden was (Mt 21:12-13; Mk 11:15-17; Lk 19:45-46: Joh 2:14-16).
  • Hij vertelde gelijkenissen die de tempelautoriteiten veroordeelden: zij waren de slechte en begerige pachters van de wijngaard van de HEER die gestraft zouden worden (Mt 21:33-41; Mk 12:1-9: Lk 20:9-16).
  • Hij profeteerde dat de tempel volkomen verwoest zou worden (Mt 24:1-2; Mk 13:1-2; Lk 21:5-6).

Het hele boek Openbaring aan Johannes gaat over de verwoesting van de tempel, voorafgegaan door het openen van de zeven zegels van de boekrol, de zeven bazuinen en vervolgens de zeven vaten van Gods toorn die worden uitgestort over Jeruzalem (Opb. 5-6; 8-11; 16). Desalniettemin onderrichtte Petrus pas gedoopte christenen dat zij levende stenen waren in een geestelijke tempel, een koninklijk priesterschap, Gods eigen volk dat uit de duisternis tot het licht geroepen was (1 Petr 2:4-10); en de onbekende auteur van de Brief aan de Hebreeën gebruikte tempelsymboliek om de betekenis van Jezus’ dood uit te leggen (Hebr. 9:1-14).

De verklaring van deze beide zeer verschillende houdingen is zes eeuwen voor de tijd van Jezus te vinden maar die lang geleden gebeurtenissen waren nog steeds van invloed. Vanaf het einde van de achtste eeuw v.C., de tijd van de profeten Hosea en Jesaja, waren er krachten gegroeid in Jeruzalem om de gebruiken van de tempel te veranderen en een groter belang toe te kennen aan Mozes dan aan de koning, en deze krachten triomfeerden in de tijd van koning Josia een eeuw later. Er zijn twee verslagen van deze periode in de geschiedenis van Jeruzalem:

  • de Bijbelse in 2 Koningen 24:1-4 zegt dat Jeruzalem geregeerd was door slechte koningen die niet gehoorzaamden aan de de wet van Mozes zoals uiteengezet in Deuteronomium, en dat de tempel vanwege hun slechte gedrag verwoest en het volk verstrooid was;
  • de niet-Bijbelse in 1 Henoch 93:9 zegt dat dit een periode was waarin de tempelpriesters hun spirituele visie verloochenden en de Wijsheid verlieten, en dat zo de tempel verbrand en het volk verstrooid waren.

Dus de auteur van 2 Koningen zag de veranderingen als goed en de auteur van 1 Henoch zag ze als een ramp. Omdat 2 Koningen in de Bijbel staat en 1 Henoch niet, heeft dit de meeste reconstructies van de gebeurtenissen gekleurd.

De crisis kwam tijdens de regering van koning Josia, die de pro-Mozesgroep steunde en in 623 v.C. een reeks gewelddadige zuiveringen begon om zijn koninkrijk van de oude gewoonten te ontdoen, die hij als onrein beschouwde (2 Kon. 22-23). Hij verwijderde vele oude voorwerpen uit de tempel, omdat zij bepaalde leringen symboliseerden die hij niet langer wilde toestaan: in het bijzonder verwijderde hij alle sporen van een vrouwelijke figuur, vertegenwoordigd door een grote boom, die hij verbrandde bij de heilige bron en wiens as hij tot stof liet slaan and verstrooien. Wij dienen deze boom vermoedelijk te herkennen als een grote menora. Vervolgens zuiverde hij zijn koninkrijk door alle plaatsen van verering op heuveltoppen op het platteland, de heilige bomen en zuilen, te verwoesten. Vele priesters van deze plaatsen werden verdreven. Tenslotte vierde Josia een groot Paasfeest, het belangrijkste feest van de pro-Mozespartij.

Toen voltrok zich de ramp. De Babyloniërs vielen Josia’s koninkrijk binnen: eerst kwamen ze in 597 v.C., namen al het goud van de tempel mee en voerden de heersende klasse in ballingschap. Zij stelden een marionet aan om te regeren maar hij bleek onbetrouwbaar, en dus kwamen zij terug en verwoestten Jeruzalem in 586 v.C. Zij brandden de tempel en de stad plat en voerden nog meer mensen in ballingschap. Anderen namen als vluchtelingen de wijk naar Egypte, 2 Kon. 24-25. Een dergelijke ramp bleef lang in de herinnering voortleven en andere significante details ervan kunnen gevonden worden in Joodse geschriften niet minder dan negen eeuwen later. Zij werpen een geheel verschillend licht op Josia en zijn culturele omwenteling. Vele mensen verlieten Jeruzalem en voegden zich bij de binnenvallende Babyloniërs. Jeremia zegt dat koning Zedekia bang was van deze mensen (Jeremia 38:19) en de Jeruzalemse Talmoed, ongeveer 400 n.C. samengesteld, vertelt ons waar zij heen gingen. Hij bevat een cryptische verwijzing naar ‘80.000’ jonge priesters die met de Babyloniërs tegen Jeruzalem vochten, waarschijnlijk om hun positie te herkrijgen nadat Josia hen verdreven had, en deze jonge priesters vestigden zich later in Arabië.2

Wat Josia uit zijn koninkrijk en van de tempel in Jeruzalem wegzuiverde was niet een verboden Kanaänitische cultus; het was de godsdienst van de patriarchen die in Genesis beschreven is. Abraham, Izaäk en Jacob hadden aanbeden op de plaatsen waar de HEER hen verschenen was: Abraham zag de HEER bij de eik van More en richtte daar een altaar op (Genesis 12:6-7); Jacob had een droomgezicht van de HEER in Bethel en richtte daar een gewijde steen op (Genesis 28:10-18). Er zijn vele voorbeelden. De godsdienst van de patriarchen was de godsdienst die in Juda uitgeoefend werd tot de tijd van Josia. Abraham had Melchizedek de priesterkoning van Jeruzalem ontmoet die hem brood en wijn aanbood (Genesis 14:17-20) en we weten dat de Davidische koningen in Jeruzalem priesters als Melchizedek geweest waren (Psalm 110). Met andere woorden, de Melchizedek priester-koningen die in Jeruzalem dienden, waren de koningen die door latere geschiedschrijvers veroordeeld werden omdat zij nalieten zich te houden aan de wet van Mozes. Dus was de tegenstelling deze: de oudere gebruiken van Melchizedek en Abraham die de gebruiken waren van Salomo’s tempel die gezuiverd werd door Josia [noot vertaler: en vervolgens verwoest voorafgaand aan de ballingschap]; en de nieuwere gebruiken van Mozes en zijn broer Aaron de hogepriester die de gebruiken waren van de tweede tempel [noot vertaler: die in 70 n.C. verwoest zou worden door de Romeinen].

Dit vat het verschil samen tussen de tempel van Salomo en de tweede tempel die gebouwd werd toen enkele ballingen uit Babylon terugkeerden om Jeruzalem opnieuw te stichten in ongeveer 525 v.C. Verslagen uit die tijd zelf zijn niet duidelijk maar het lijkt erop dat de mensen uit Babylon terugkeerden in verschillende groepen over een aanzienlijke tijdsspanne. Er werd een tempel gebouwd en de stadsmuren werden hersteld. De nieuw gevestigde gemeenschap werd vervolgens verzocht iedereen te verdrijven die een vreemdeling gehuwd had, met inbegrip van een kleinzoon van de hogepriester (Nehemia 13:28-31). Veel van degenen die eerder de HEER in de eerste tempel hadden vereerd werden uitgesloten onder wat nieuwe regels moeten zijn geweest, en de profeet (de Derde) Jesaja sprak in hun naam: vreemdelingen die sabbatten hielden en het verbond naleefden waren nu acceptabel in de tempel die een gebedshuis voor alle volken diende te zijn (Jesaja 56:3-8). Stemmen in 1 Henoch beschreven dit als een afvallig geslacht welks offers niet zuiver waren (1 Henoch 89:73; 93:9). De samensteller van de Jesajarol, die een inleiding tot de hele verzameling profetieën schreef die nu het eerste hoofdstuk van het boek uitmaakt, klaagde dat de gelovige stad Jeruzalem een hoer was geworden (Jes. 1:21). De christenen waren het hiermee eens: Jezus haalde Jesja’s woorden over de tempel die een gebedshuis voor alle volken was geworden, aan toen hij de handelaren uit de tempel joeg (Mk 11:17); en een van de visioenen in het boek Openbaring is een grote hoer gekleed in purper en scharlaken die een gouden bokaal met gruwelen vasthoudt. Deze tekst is in het Grieks maar daaronder ligt een Hebreeuws woordspel dat kenmerkend was voor tempeltaal. In het Hebreeuws was gruwel of ritueel bederf māšchāt, en de wijding [als in de wijdingsolie] was mišcha. De geschreven vormen van de woorden waren vrijwel identiek. De hoer van het boek Openbaring, gekleed in purper en scharlaken, vertegenwoordigde de tweede tempel, en in plaats van het uitgieten van de heilige zalfolie uit een gouden schaal, goot ze verderf uit. Waarschijnlijk had de hoer de verbannen Vrouwe uit Salomo’s tempel vervangen, die de zalfolie zou hebben uitgegoten.

Vandaar de beide houdingen tegenover de tempel in het Nieuwe Testament. Jezus veroordeelde de tempel die hij kende en profeteerde dat hij verwoest zou worden; en de christenen beschouwden zich als de degenen die de oorspronkelijke tempel van Salomo herstelden. Christelijke rituelen werden gebaseerd op rituelen van de eerste tempel, christelijk onderricht ontwikkelde zich vanuit eerste-tempel onderricht, en toen zij uiteindelijk in staat waren hun eigen gebouwen op te trekken, leken de christelijke plaatsen van eredienst op de tempel.3 Zij beschreven Jezus als hun Grote Hogepriester (Hebr. 7:11-25) maar niet als de Aäron hogepriester. Jezus was de herstelde Melchizedek (Hebr. 7:11-25).

Terughalen wat we kunnen weten van Salomo’s tempel is daarom meer dan een oefening in oude geschiedenis; het is een sleutel tot het begrijpen hoe het vroege christendom zich ontwikkelde, en nog belangrijker, waarom. Welk visioen inspireerde Jezus? Waarom werd hij beschreven als Zoon van God, Koning, Messias? Waarom was de opstanding onderdeel van de verwachting?

De godsdienst van de eerste tempel herstellen was de godsdienst van Abraham herstellen omdat het de gewoonten van Abraham waren die Josia weggezuiverd had. Die jonge priesters die zich in Arabië vestigden, moeten de godsdienst met zich meegenomen hebben die nadruk legde op Abraham en Melchizedek, en een van de opmerkelijke kenmerken van de Dode-Zeerollen is de hoeveelheid extra informatie die zij bevatten over zowel Abraham als Melchizedek. De vluchtelingen die naar Egypte vluchtten en de Joodse gemeenschappen in dat land werden namen ook de oudere religie met zich mee, en sommige van hun geschriften bewaarden onderricht over de vrouwelijke figuur die Jozia uit de tempel verwijderde. Zij kenden haar als Wijsheid, net als de Henochitische geschriften dat deden, die zeiden dat de priesters Wijsheid uit de tempel verbanden net voordat de tempel verbrand werd. De Wijsheid van Salomo verheerlijkte haar als de gids en beschermster van hun voorouders (Wijsheid 10-11); en Philo kende Wijsheid als ‘de dochter van God, de eerstgeboren moeder van alle dingen.’4 Was dit gewoon de fictie van later eeuwen of was het oud materiaal dat niet in Genesis opgenomen was? Hetzelfde kan gezegd worden van de Targoems, de Aramese vertalingen van Bijbelteksten die soms extra informatie bevatten, en van latere teksten zoals het Levan van Adam en Eva. Was het extra materiaal het product van de verbeelding van een latere auteur of was zo oud als de tekst die het verfraaide, of zelfs ouder? Het ‘extra’ materiaal is een mogelijk waardevolle informatiebron over Salomo’s tempel.

In het Oude Testament zelf is er een treffend voorbeeld van dit dilemma, en het betreft Salomo’s tempel. De beschrijving van Salomo’s tempel door de Kroniekschrijver wordt gewoonlijk als later bestempeld dan het verslag in 1 Koningen, het pro-Mozes verslag, maar bevat meer informatie dan 1 Koningen:

  • de HEER openbaarde het plan voor de tempel aan David en hij gaf het aan Salomo (1 Kronieken 28:19);
  • er was een gouden triomfwagen van engelen in de tempel (1 Kron. 28:18);
  • er was een groot gordijn in de tempel, ‘de sluier’ of ‘het voorhangsel’ (2 Kron. 3:14);
  • muziek was belangrijk in de tempel (1 Kron. 16:4-42).

Dit waren geen verzinsels uit later tijd; het waren details van tempeltraditie die de schrijver van 1 Koningen niet opnam omdat zij geen plaats hadden in zijn pro-Mozes schema. Het voorhangsel van de tempel en de triomfwagen-troon bijvoorbeeld waren onderdelen in Salomo’s tempel die belangrijk waren voor de verering van de gezalfde koning. Hij vertegenwoordigde God bij zijn volk, vandaar zijn titel Immanuel, ‘God met ons’ (Jes. 8:8). Hij was de zichtbare aanwezigheid van de HEER, maar Deuteronomium zei dat dat niet mogelijk was; de HEER kon niet gezien worden. Hij was niet gezien toen de wet gegeven werd aan Mozes; alleen de stem werd gehoord (Deut. 4:12). Zulke tegenstrijdigheden waarschuwen ons voor de mogelijkheid dat authentieke herinneringen aan de eerdere tempel opzettelijk uit enkele teksten werden weggelaten. Het Grieks voor Kronieken is ‘Paraleipomenoon’ wat letterlijk ‘de weggelaten dingen’ betekent, en voor de keuze van die titel moet een reden geweest zijn.

De Bijbelse teksten die door de pro-Mozes groep samengesteld en geschreven zijn, veroordelen alle de gebruiken van de oudere tempel, wat erop duidt dat zij overgenomen waren van verboden Kanaänitische gebruiken. Zij noemden de tempelboom die Josia verwijderd had een Ashera maar alle Hebreeuwse inscripties met eenzelfde naam hebben die als Ashrata. De pro-Mozes klerken veranderden de naam maar de inscripties zijn niet ‘geredigeerd’. De oorspronkelijke Ashrata was de Vrouwe van de tempel, de Moeder van de HEER, en zij was eerder opgetreden in het oude gedicht dat nu de Zegen van Mozes genoemd wordt. De huidige Hebreeuwse tekst is verward maar wordt gewoonlijk gelezen als: “De HEER verscheen vanaf de Sinai … bliksem flitste uit zijn rechterhand … Mozes gaf ons zijn onderricht … zo werd de HEER koning in Jesurun” (Deut. 33:2-5). De bliksem kan eenvoudig als Ashrata gelezen worden, [‘šdt / ‘šrth, bedenkend dat r en d in het Hebreeuws op elkaar lijken]; en Mozes lijkt veel op ‘gezalfde’ [mšh/mšch]. Het zou een eenvoudige zaak geweest zijn om dit gedicht over de ceremonie van de eerste tempel te veranderen, waarin de gezalfde koning, die de HEER vertegenwoordigde, de wet voorlas en het verzamelde volk zegende. Aan zijn rechterhand was de koningin-moeder, die de Vrouwe vertegenwoordigde.5 Het veranderen van een paar letters transformeert een gedicht over de oude tempel in een gedicht over Mozes bij Sinai. De Mozestraditie vierde de Wetgeving op Pinksteren maar er is bewijs in de Hebreeuwse geschriften, zullen we zien, voor de Wetgeving op Loofhutten. Waarschijnlijk was dit een echo van een eerder gebruik.

Een ander voorbeeld kan zijn hoe een van de titels van de Vrouwe veranderd werd. Toen Salomo’s zoon Rehabeam koning was, beschreef de pro-Mozes schrijver de toestand van het land: “Zij bouwden voor zichzelf offerplaatsen en gewijde stenen en Asherapalen op ieder hoge heuvel en onder iedere bladerrijke boom, en er was ook een mannelijke prostituee in het land.” (1 Kon. 14:23-24). Dit klinkt verdacht – één mannelijke prostituee – maar wanneer het woord gelezen wordt met andere klinkers is het de naam Kudshu, een van de vele namen van de Vrouwe. Het betekent ‘Heilige’. Hetzelfde gebeurde in het verslag van Josia’s zuiveringen; hij verwijderde mannelijke prostituees uit de tempel, maar met andere klinkers worden zij heiligen, engelen (2 Kon. 23:7). Onder de oppervlakte van het verslag van Josia en de tempelzuiveringen is mogelijk ooit de Vrouwe schuil gegaan en haar engelen die verdreven werden.

De praktijk van het wijzigen van oude Hebreeuwse teksten is al lang geleden herkend maar beschreven als ‘restoraties van de klerken’.6 De klerken verwijderden wat latere geslachten als godlasteringen zagen. Met andere woorden, de godsdienst veranderde en dus dienden de heilige teksten ook te veranderen. Sommige van deze veranderingen zijn welbekend maar het zouden er meer kunnen zijn dan tot dusver geïdentificeerd. Het patroon in de veranderingen is helder: twee voorwerpen van de aandacht van klerken waren de Vrouwe – zoals we hebben gezien aan de veranderingen aan Ashrata en de ‘zonen van God’.7 De zaak van de zonen van God – de engelen – was zo gevoelig dat als de Hebreeuwse tekst duidelijk ‘zonen van God’ zei, het verboden was om het zo te vertalen.8 Dus zei Rabbi Simeon b. Yohai in het midden van de 2e eeuw n.C. dat de woorden vertaald moesten worden als ‘zonen van edellieden’ en hij vervloekte iedereen die de woorden vertaalde als ‘zonen van God’. Anderen wijzigden de Hebreeuwse tekst gewoon, en de ‘zonen van God’ in Deuteronomium 32:8 werden ‘de zonen van Israël’. De gevolgen hiervan voor het terugvinden van de kennis van Salomo’s tempel zijn zeer groot. Omdat de Vrouwe en de engelen zowel uit de tempel als uit de Hebreeuwse Schriften werden verwijderd, is het niet waarschijnlijk dat bewijs voor andere veranderingen aan de tempel in de Hebreeuwse Schriften zal worden gevonden.

Bepaalde niet-Bijbelse teksten vertellen een ander verhaal, bijvoorbeeld over de oorsprong van tempelgebruiken. Er is een langere versie van het Genesisverhaal, bekend als het boek Jubileeën waarvan kleine stukjes gevonden zijn tussen de Dode-Zeerollen.9 Onder Bijbelgeleerden heeft zich een aanname ontwikkeld – wellicht een onbewuste aanname – dat dit boek op een bepaalde manier minderwaardig is ten opzichte van Genesis als informatiebron over Abraham omdat het verschilt van de Bijbeltekst van Genesis. Jubileeën zegt dat sommige van de latere Joodse tempelfeesten niet door Mozes maar door Abraham en de aartsvaders ingesteld zijn. Het feest van Loofhutten bijvoorbeeld, het grootste van de tempelfeesten, werd in de herfst gevierd. De Mozestraditie zei dat het het volk herinnerde aan de tijd dat het in de woestijn leefde (Leviticus 23:37-44) maar in Jubileeën was Loofhutten het grote feest dat door Abraham ingesteld werd in Beersheba om de geboorte van Izaäk te markeren die de vader van een natie van priesters en een heilig volk zou zijn (Jubileeën 16:19-31). Abraham offerde slachtoffers en wierook en sneed vervolgens palm- en wilgentakken af om ze iedere dag zeven maal in processie om het altaar heen te dragen.

Salomo wijdde de tempel in die tijd van het jaar hoewel het feest zelf niet genoemd wordt (1 Koningen 8:2, 64-66). Zodra Jesua en Zerubbabel uit Babylon terugkeerden, richtten zij een altaar op in Jeruzalem en vierden het feest van Loofhutten (Ezra 3:1-6). Later gaf Ezra een publieke lezing van de Wet op Loofhutten voordat het volk de takken ging verzamelen en het feest vieren (Nehemia 1-13). Leerlingen van de profeet Zacharia voegden enkele van hun eigen orakels toe aan het eind van de verzameling van hun meester, en deze laten zien dat op Loofhutten de HEER verwacht werd met zijn engelen terug te keren als koning van de hele aarde. Op die dag zouden levende stromen uit Jeruzalem stromen en alle volkeren zouden naar de tempel gaan om het feest te vieren (Zacharia 14). Loofhutten werd geassocieerd met de terugkeer van de HEER als koning, en verschillende geleerden hebben geargumenteerd dat de Davidische koningen op Loofhutten gekroond werden.10 De christenen geloofden dit. Een grote menigte die met palmtakken zwaaide en witte gewaden droeg was een van de hemelvisioenen in het boek Openbaring. Zij stonden voor de troon van God waarop het Lam, dat wil zeggen Jezus, troonde (Openb. 7:9-12). Dit was hun hemels Loofhuttenfeest.

De Mishna beschrijft de rituelen voor Loofhutten in de tijd van Jezus: hoe de takken van palm, myrte en wilg gesneden en in bundels gebonden moesten worden. Mensen droegen ze in processie de tempel in onder het zingen van Psalm 118. De hele bundel werd een lûlab genoemd, letterlijk een palm, en toen Jezus Jeruzalem binnenreed op een ezel moet het op een Loofhuttenprocessie geleken hebben (Mk 11:1-11). In een ander ritueel gingen mensen wilgentakken verzamelen en zetten die vervolgens op rondom het grote altaar, eroverheen gebogen om een dek te vormen.11 Er is geen verklaring voor dit ritueel maar het was welbekend bij christenen. Hermas, een christelijke profeet in Rome vroeg in de tweede eeuw n.C., beschreef een visioen van een reusachtige wilgenboom die allen bedekte die met de naam van de HEER geroepen waren. De engel van de HEER sneed takken en gaf er een aan iedere persoon. Vervolgens nam de engel de takken en onderzocht ze: de mensen van wie de takken groen waren en knoppen hadden of groen waren en knoppen en vruchten hadden mochten de toren van de engel binnen, die de tempel of kerk vertegenwoordigde. Hij gaf hun palmenkronen en witte gewaden.12 Er waren vele condities voor de wilgentakken in Hermas’ visioen die hen onacceptabel maakten, net zo als er vele condities waren die de wilgentakken onacceptabel maakten voor het Loofhuttenritueel. Wat ook de symboliek van de wilgentak geweest mag zijn, zij was een belangrijk onderdeel van Loofhutten en voor de christenen was zij een teken van hun erkenning als ‘geroepen met de naam van de HEER’ en een aanduiding van hun spirituele staat.

De Mishna beschrijft eveneens het de gehele nacht durende musiceren en dansen in de tempelhoven die verlicht waren door vier reusachtige kandelabers. Als de zonsopgang naderde lieten twee priesters hun trompetten met tussenpozen klinken tijdens het lopen van het hof van Israel naar de oostelijke poort. Als zij de oostelijke poort bereikten keerden zij om met hun gezicht naar de tempel en verkondigden: “Toen onze vaders op deze plaats stonden, draaiden ze zich met hun rug naar de tempel van de HEER en met hun gezicht naar het oosten, en zij vereerden de zon in de richting van het oosten; maar wat ons betreft, onze ogen zijn gericht op de HEER.”13 De priesters van de tweede tempel legden er nadruk op dat zij Loofhutten verschillend vierden van het oudere feest. Zij keerden zich niet langer naar het oosten om met zonsopgang te bidden, waarschijnlijk op dit feest. De profeet Ezechiël was de zoon van een priester van de eerste tempel en lijkt Josia te hebben gesteund. Hij veroordeelde een tempelgebruik dat heel goed het Loofhutten-oude-stijl geweest zou kunnen zijn. Hij kreeg een visioen en de details zijn nauwkeurig: vijfentwintig mannen stonden tussen het tempelportaal en het grote altaar, buigend naar de zon, en takken uitstrekkend naar hun gezichten. De corrigerende klerken hebben deze tekst veranderd zodat de priesters niet takken ophielden naar hun (eigen) gezichten maar verdorvenheid of mogelijk een walgelijke geur14 in het gezicht van de HEER – ‘mijn gezicht’. Het oorspronkelijke ‘takken’-ritueel van het kijken in de richting van de zon had geen plaats in de tweede tempel.

Voor de christenen echter15 was de oorspronkelijke vorm van de ceremonie erg belangrijk. Dat visioen in Openbaring 7 van het hemelse Loofhuttenfeest, met een grote menigte die palmtakken in de handen houdt voor het Lam op de troon, begint met het beschrijven van 12.000 uit elke van de twaalf stammen van het oude Israël. Het riep de tijd van Salomo op, vóór het opdelen van het koninkrijk waarbij slechts twee stammen in het zuidelijke koninkrijk overbleven. De mensen van de twaalf stammen stonden te wachten op een engel komend uit de zonsopgang die het zegel van de levende God droeg, die de dienaren van God het merkteken op hun voorhoofd zou zetten. Dit zou hen beschermen tegen Gods ophanden zijnde oordeel. Met andere woorden, zij stonden te wachten om gemerkt te worden met de X, het aloude teken van de naam van de HEER waarmee de priesters gemerkt waren en dat hen beschermde. De priesters in het visioen waren niet alleen afkomstig uit het huis van Levi. Het visioen was de vervulling van de opvatting van Jubileeën over Loofhutten, dat de geboorte markeerde van de vader van een natie van priesters en een heilig volk.16 Zo omschreef Petrus de pas gedoopte christenen: ‘een koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk … geroepen uit de duisternis naar zijn wonderbaarlijke licht’ (1 Petrus 2:9). Het visioen van Loofhutten stelde de nieuwe tempel voor en het nieuwe priesterschap; of liever, de oude tempel en het oude priesterschap in ere hersteld, en de Koning op zijn troon.

——————————————–

Toen Johannes de Doper de Joden toesprak, waarschuwde hij hen niet te denken dat het feit dat zij kinderen van Abraham waren hen zou redden van Gods oordeel: “God is in staat uit deze stenen kinderen van Abraham te verwekken” (Lk 3:8). Toen Jezus zelf discussieerde met de Joden in de tempel, maakten zij dezelfde aanspraak – “Wij zijn kinderen van Abraham” – maar Jezus zei dat zij zich niet gedroegen als Abrahams kinderen (Joh. 8:39-40). Misschien het interessantste van alles is het feit dat nadat Saulus bekeerd was en een christen werd, zijn naam in Paulus veranderend, hij voor drie jaar wegging naar Arabië (Galaten 1:17). Waarom Arabië? Het is mogelijk dat hij naar de afstammelingen van die priesters van de eerste tempel ging die zich daar na de zuiveringen van Josia gevestigd hadden. Wat zeker is, is dat toen hij terugkeerde, zijn begrip van het christendom helder was en hij begon te leren dat de wortels van zijn ‘nieuwe’ geloof in feite bestonden uit de godsdienst van Abraham en dat zij daarom veel ouder waren dan de godsdienst van Mozes en zijn wet. Hij zette dit eerst uiteen in een vroege brief (Gal. 3:6-9) en ontwikkelde het voluit in zijn grote brief aan de Romeinen waar hij schreef: “De belofte aan Abraham en zijn afstammelingen, dat zij de wereld zouden beërven, kwam niet door de wet [van Mozes] maar door de gerechtigheid van het geloof” (Rom. 4:13). De christenen bouwden hun geloof op de belofte aan Abraham en derhalve waren zij niet gebonden door de wet van Mozes. Het christendom ontwikkelde zich derhalve niet uit het Jodendom zoals het bekend was in de tijd van Jezus maar uit de eerdere ‘Hebreeuwse’ godsdienst van de eerste tempel die Josia gezuiverd had, en die de ‘corrigerende klerken’ uit de Hebreeuwse Schriften verwijderden.

Nu is het moeilijk om de overlevering van willekeurig welke gewijde tekst te bepalen, maar er zijn diverse duidelijke voorbeelden van een Hebreeuwse tekst gebruikt in Qumran die verschillend is van die welke de standaard ‘Masoretische’ Hebreeuwse tekst werd – het begin van het christelijke tijdperk. Volgens de grote Jesaja-rol uit Qumran,17 droeg Jesaja koning Achaz op om een teken te vragen van de Moeder van de HEER uw God (Jes. 7:11), en hij gaf de profetie van de Maagd die een zoon zou baren. Het Masoretische Hebreeuws heeft “Vraag een teken van de HEER uw God” – geen Moeder. Dit verschil vereist het veranderen van één letter in een andere die er heel erg op lijkt.18 Volgens de grote Jesaja-rol uit Qumran was de geheimzinnige dienaar van de HEER een gezalfde man, maar het Masoretische Hebreeuws heeft een misvormde man (Jes. 52:14). Dit verschil vereist het verwijderen of toevoegen van één letter aan het eind van het woord. De christenen verstonden het woord als ‘gezalfde’ en zeiden dat dit een profetie over Jezus was, maar de Masoretische tekst sluit deze opvatting uit. De Targoem van Jesaja, de Aramese vertaling gemaakt door een Jood, had echter een tekst die ‘gezalfde’ zei. Zo verschillen ook de teksten van Deuteronomium 32:8 en 32:43 in hun Qumranvorm en hun Masoretische vorm, en in elk van beide gevallen sluit de Masoretische tekst de christelijke uitleg van het vers uit. Hieruit zouden we kunnen concluderen dat de Masoretische Hebreeuwse tekst niet betrouwbaar is als bewijsstuk voor de schriften die de Hebreeuwse christenen kenden en gebruikten, en derhalve niet de beste bron is voor wat zij wisten over de eerste tempel en zijn leringen.

Er is brede erkenning dat de teksten van het Oude Testament slechts een deel van de oudere Hebreeuwse tradities insluiten. Wij weten niet welk criterium gebruikt werd om de selectie te maken. De schrijvers van het boek Koningen noemen andere teksten, vermoedelijk degene die zij als bronnen gebruikten: de Handelingen van Salomo (1 Kon. 11:41), het boek Kronieken van de koningen van Israël (1 Kon. 15:31; 16:20); het boek Kronieken van de koningen van Juda (1 Kon. 22:45). ER zijn er veel meer. De samenstellers van de Pentateuch [de vijf boeken van Mozes] citeren oude gedichten: de Zegening van Jacob (Gen. 49:2-27); het Lied van de Zee (Exodus 15:1-18); het Lied van Mozes (deut. 32:1-43); er zijn er nog veel meer. Het is onwaarschijnlijk dat de gedichten die in de Pentateuch zijn opgenomen de enige oude Hebreeuwse poëzie waren.

Men vraagt zich bijvoorbeeld af of de samensteller van Genesis het verhaal kende in het Genesis Apocryphon, een andere versie van Genesis gevonden tussen de Dode Zeerollen, die zegt dat Abraham de Euphrates afreisde tot zijn monding en vervolgens rondom de kust van Arabië tot hij het noordelijke uiteinde van de Rode Zee bereikte en vandaar terugkeerde naar Hebron.19 De zinsnede ‘bewerkte schrifttekst’ wordt vaak gebruikt om dit proces te beschrijven, maar wie voerde de omwerking uit? Was het de samensteller van het Genesis Apocryphon of de samensteller van het boek Jubileeën, of was het de samensteller van het bijbelse Genesis? De pro-Mozes geschriften zouden mogelijk niets hebben willen opnemen dat de oude Adampriesters in Arabië legitimeerde. De Henochtraditie is er vrij duidelijk over dat de teruggekeerde ballingen die de tweede tempel bouwden en die de teksten samenstelden die de Hebreeuwse schriften werden, een ‘afvallig geslacht’ waren en de schriften omwerkten (1 Henoch 89:73; 104:10-11).

Het herstelwerk aan de geschriften die verloren waren bij de verwoesting van Jeruzalem was verbonden met de naam van Ezra, een controversiële figuur. Het verhaal over hem in 2 Ezra wordt neergezet aan het begin van de tweede tempelperiode, toen de ballingen terugkeerden, en vertelt hoe hij in een visionaire toestand raakte en vervolgens aan zijn klerken de 94 verloren boeken dicteerde. Hem werd door God de Allerhoogste opgedragen aan zijn volk slechts 24 van de boeken te geven en de andere 70 uitsluitend ter beschikking van de wijzen te houden. De klerken moesten schrijven in een alfabet dat zij niet kenden (Ezra 14:37-48). Van Ezra wordt ook gezegd dat hij een nieuw alfabet invoerde, het Hebreeuws in vierkante karakters dat het huidige Hebreeuwse schrift is. Voor zijn tijd [de vijfde eeuw v.C.] waren er de oudere ‘paleo-Hebreeuwse’ letters geweest, een vorm die nog steeds in gebruik is bij de Samaritanen. Het nieuwe schrift werd ingevoerd om de ‘Joodse’ geschriften van de andere te onderscheiden.20

De meeste mensen nemen aan dat het verhaal van Ezra en de heilige boeken in zijn huidige vorm geschreven is na de verwoesting van de tweede tempel, en wel omstreeks 100 n.C., toen Ezra’s spirituele erfgenamen de klerken waren die beslisten welke boeken, en derhalve ook welke versies van die boeken, de Joodse geschriften moesten worden. Vermoedelijk waren Ezra’s klerken de ‘corrigerende klerken’ die nieuwe versies van de schriften vervaardigden voor de nieuwe situatie nadat de tempel verwoest was door de Romeinen. Een belangrijke factor in de nieuwe situatie was de opkomst van de christenen met hun aanspraak dat zij de oudere tempel aan het herstellen waren, en het waren de christenen die deze Ezra-legende bewaarden om het bestaan van heel veel meer heilige boeken te verklaren dan die welke de Hebreeuwse schriften geworden waren.

Dit roept opnieuw de vraag op van de bronnen van materiaal dat in latere Hebreeuwse en Aramese teksten gevonden is. Waren dat simpel latere uitwerkingen van de Bijbelverhalen of waren zij onthouden en door de latere verhaalvertellers opgenomen? Het beroemdste voorbeeld is is het verhaal van de gevallen engelen, dat kort genoemd wordt in Genesis 6 als de oorzaak van de verdorvenheid die tot de vloed van Noach leidde. In 1 Henoch wordt een veel gedetailleerdere variant van het verhaal verteld maar het zou dom zijn te veronderstellen dat het verhaal van Henoch het voortbrengsel was van een latere verbeelding. Het was in feite de belangrijkste mythe van de eerste tempel. Zonden die Henoch specifiek aan de gevallen engelen toeschreef – metaalbewerking om wapens te maken, toekomstvoorspelling met tovermiddelen, zelfs de uitvinding van kohl om oogleden te verfraaien – waren bekend aan Jesaja in de late achtste eeuw v.C. (Jesaja 2:6-8; 3:16-17), en veel in Jesaja wijst er op dat hij het verhaal van de gevallen engelen kende. Waarschijnlijk werd het verhaal niet in Genesis opgenomen omdat die samensteller de belangrijkste mythe van de eerste tempel niet wenste op te nemen die een fundamenteel gegeven van de pro-Mozes groepering tegensprak: persoonlijke verantwoordelijkheid voor het nakomen van de aan Mozes gegeven Wet. De mythe van de gevallen engelen legde de blaam voor de zonde van de mensen bij hun invloed. De mythe van de gevallen engelen – de zonen van God – is de sleutel tot het verstaan van het boek Openbaring omdat het die mythe was geweest die aan de dag van verzoening ten grondslag lag die aan Loofhutten voorafging in de cyclus van tempelfeesten. De bok die hun leider Azazel vertegenwoordigde werd de woestijn in gedreven, daarbij de zonden meenemend die hij veroorzaakt had. Deze link tussen de gevallen engelen in 1 Henoch en de dag van verzoening kan echter alleen gereconstrueerd worden uit niet-bijbelse bronnen zoals de Targoems, de Mishna en 1 Henoch.21 De pro-Mozes groepering verwijderde de dag van de verzoening zelfs uit haar feestkalender (Deut. 16:1-17).

————————————–

Het is duidelijk dat de wereld van Salomo’s tempel waarschijnlijk niet te voorschijn zal komen uit een studie van Bijbelteksten, en dus kijken we nu naar enkele voorbeelden van dit andere materiaal, zowel Joods als christelijk, dat misschien herinneringen bevat aan de oudere tempel. Joods materiaal uit een veel latere periode bewaart herinneringen aan de tempelbestanddelen die in de tijd van Josia verdwenen: het vuur, de ark, de menora, de Geest en de cherubs is één lijst, bewaard in het grote commentaar op Numeri. Al deze onderdelen, en waarschijnlijk de leringen die zij vertegenwoordigden, zouden hersteld worden in de tijd van de Messias. De Babylonische Talmoed bewaart de overlevering dat in de tijd van Josia de ark, de zalfolie, de kruik met manna en de staf van Aaron verborgen werden.22 Origenes, de grote christelijke Bijbelgeleerde die stierf in 253 v.C., wist dat de tempelvoorwerpen de tempelleringen representeerden, ‘de geheimen van mysterieuze Wijsheid’, die alleen de hogepriesters konden zien, dat is: kennen.23 De vroegste christelijke geschriften laten zien dat deze ontbrekende zaken in hun tempel hersteld waren: het vuur en de Geest keerden terug met Pinksteren (Hand. 2:1-4); de cherubs vormden de troon in het heilige der heiligen die gezien werd in het boek Openbaring (Opb. 4:1-11); de ark werd opnieuw in de tempel gezien net voordat de Vrouwe verscheen (Opb. 11:19); en de menora werd gezien bij de troon (Opb. 4:5, als de zeven fakkels, en Opb. 22:1-5, als de levensboom). De schrijver van Hebreeën wist van de ark, de kruik met manna, Aarons staf, de ark en de cherubs, en dat deze zaken niet openlijk bediscussieerd konden worden (Hebr. 9:3-5). De ware tempel was in ere hersteld omdat de Messias gekomen was.

De menora die de levensboom representeerde, werd hersteld in de tempel. Er was een menora in de tweede tempel geweest zoals te zien is aan de afbeelding ervan tussen de oorlogsbuit uit de tempel op de triomfboog van Titus in Rome. Niettemin was er een culturele heugenis dat dit niet de ware menora was: misschien had zij in het verkeerde deel van de tempel gestaan of misschien representeerde zij niet langer de levensboom. De ware menora, zeiden die andere stemmen, zou enkel terugkeren in de tijd van de Messias. Henoch kreeg te horen van de aartsengel Michael dat de geurende en prachtige boom na het grote oordeel weer hersteld zou worden in de tempel van de HEER, en dat zijn vruchten aan de rechtvaardigen en heiligen zou worden gegeven (1 Henoch 24:3-25:7). De menora, de levensboom, was een symbool van Wijsheid (Spreuken 3:18), en de boom in de tempel herstellen betekende de Vrouwe in de tempel herstellen, de zogeheten Ashera herstellen die Josia verwijderd en verbrand had. De christenen claimden dat het verhaal van Genesis 2-3 omgedraaid was: Adam en Eva hadden van de verboden boom gegeten en en zodoende de toegang tot de levensboom verloren, maar Jezus beloofde zijn trouwe volgelingen dat zij ooit opnieuw toegang zouden hebben tot de levensboom (Openb. 2:7; 22:14).

De geurige en prachtige boom bracht ook olie voort, de geurige olie die in de tempel gebruikt werd was volgens een vroegchristelijke tekst24 door Aaron samengesteld als nabootsing van de olie van de levensboom. Adam was gezalfd met de ware olie, niet met een nabootsing. Toen hij uit Eden verdreven was en sterfelijk was geworden, wist hij dat hij de dood naderde. Hij zond Eva en Seth terug naar de poort van Eden om te vragen om een beetje van de olie, hier de olie van mededogen genoemd. Michael weigerde het verzoek en zei de olie pas in de laatste dagen teruggegeven zou worden.25

De Tuin van Eden waar de levensboom gestaan had, was de tempel van Salomo, en het verhaal van Adam en Eva die uit de tuin verdreven werden, gaf in codevorm het verhaal weer van de priesters die uit de eerste tempel verdreven werden. Dit waren niet de priesters die Josia verdreven had, die zich in Arabië vestigden; het waren de priesters die in de tempel bleven en het nieuwe regime aanvaardden, zij van wie Henoch zei dat zij de wijsheid verloochend hadden en daardoor de verwoesting van de tempel veroorzaakt hadden.

Het oorspronkelijke verhaal van Adam en Eva in Eden/de tempel is niet overgeleverd; maar er zijn in de Hebreeuwse geschriften twee voorbeelden van de herschrijving van het Eden verhaal.

  • Ten eerste beschreef Ezechiël een gezalfde engelenfiguur die uit Eden verdreven werd omdat het26 zijn door God gegeven wijsheid misbruikt had. De oorspronkelijke Hebreeuwse tekst zei, zoals de oude Griekse vertaling aantoont, dat de engel alle edelstenen van de hogepriester droeg en in Eden geplaatst was als het grote zegel van het goddelijke plan. Maar de engel-hogepriester misbruikte zijn wijsheid ten bate van handel; het werd uit Eden verdreven, werd sterfelijk en stierf (Ezechiël 28:12,19).27 Deze tekst was zelf herschreven om er een orakel tegen Tyrus van te maken; Tyrus en Zion lijken in het paleo-Hebreeuwse schrift heel erg op elkaar, en de lijst van edelstenen was in de war gebracht.
  • Ten tweede was er het bekende verhaal in Genesis 2-3 waarin Adam voordat hij in man en vrouw opgedeeld werd, in Eden geplaatst was. Adam diende de tuin ‘te bebouwen en te bewaren’ maar deze woorden betekenen ook ‘een tempelliturgie te leiden en de leringen te bewaren’ (Genesis 2:15). Adam werd geschapen om de hogepriester te zijn maar hij at van de verboden boom en verloor zo de toegang tot de Wijsheid van de levensboom. Evenals Ezechiël’s engel-hogepriester wees Adam wijsheid af, werd uit Eden verdreven, werd sterfelijk en stierf.

Adam die naar Eden en naar de levensboom terugkeert betekende de terugkeer van de oorspronkelijke priesterschap naar de ware tempel.

Niets in het Genesisverhaal wekt de suggestie dat Adam geschapen was als een glorieuze engelenfiguur en toch is er in de niet-bijbelse geschriften belangrijk bewijs voor deze glorieuze figuur en voor het oorspronkelijke Edenverhaal. De grote Joodse Genesiscommentaar noteert dat Adam in Rabbi Meir’s exemplaar van Genesis kleren van licht had, vermoedelijk de kleren die hij verloor toen hij naar de slang luisterde en besefte dat hij naakt was (Genesis 3:7).28 Men denkt dat de rol van Rabbi Meir de originele rol is die in de tempel bewaard werd, die verschilde van latere Hebreeuwse teksten.29 Alle Targoems weten dat Adam kleren van licht had. De christenen wisten dit ook: Efrem in het Syrië van de vierde eeuw zei dat God Adam had gekleed in glorie;30 en in dezelfde tijd in Egypte lazen christenen dat Wijsheid haar kinderen hogepriesterlijke kleren gaf die uit elke soort wijsheid geweven waren.31 Dit waren de kleren bestemd voor glorie en schoonheid die door Aaron de hogepriester waren gedragen (Exodus 28:2) maar oorspronkelijk door Adam, de eerste hogepriester. [Noot vertaler: het uittrekken van latere aardse kleren die met schuld samenhangen en herstel van de oorspronkelijke onschuldige met licht beklede Adam vormen ook een belangrijk thema in het Evangelie van Thomas en andere beschrijvingen van de androgyne eerste mens, zie bijboorbeeld mijn proefschrift Man en vrouw zijn een; wie nu op Internet op ‘garments of light Adam Eve’ zoekt vindt nog veel meer plaatsen met herinneringen aan deze oude traditie, zij het niet allemaal even duidelijk verwijzend naar de hier gegeven oorsprong.]

Een andere tekst buiten de Bijbel beantwoordt de vraag: waarom was er een slang in Eden? Het verhaal in Het Leven van Adam en Eva begint met de schepping van Adam, het beeld van de HEER God. De HEER God blies de levensadem in zijn beeld, en de Targoems zeggen dat dit Adam de macht van het spreken schonk.Vervolgens beval de HEER God alle engelen hem te vereren. Satan weigerde, protesterend dat die Adam hem diende te vereren, omdat hij eerst geschapen was en de oudere was. De HEER God verdreef vervolgens Satan en zijn engelen uit de hemel. Op aarde smeedde Satan het complot om Adam eveneens uit de hemel te laten verdrijven.32 Sommigen beweerden dat Satan de tweede boom in Eden geplant had en het zodoende voor elkaar kreeg dat Adam en Eva uit Eden verdreven zouden moeten worden. Hoewel dit verhaal niet in de Bijbel staat en er geen bewijs is voor zijn ouderdom, kenden Jezus en de eerste christenen het. Toen Jezus, de nieuwe Adam, in de wildernis op de proef gesteld werd, bood Satan hem alle koninkrijken van de wereld aan als hij hem, ten laatste, zou vereren. Jezus weigerde. In het boek Openbaring werkte Satan door middel van exact hetzelfde systeem. Het beest, de bedrieger, gaf adem aan zijn beeld zodat het kon spreken, en ieder die zijn beeld niet zou vereren, diende te worden gedood. De knechten van het beest droegen zijn teken, te weten zijn naam, op hun handen en op hun voorhoofden (Opb. 13:13-17). De dienaren van de HEER droegen eveneens zijn Naam op hun voorhoofden; dit was de X, in de eerste tempel gebruikt om de hogepriesters te merken met de heilige olie, en door de christenen geadopteerd als hun doopteken.

Dit was dus Adam, de hogepriester van de eerste tempel. Hij was het beeld van de HEER God, gekleed in glorie, gemerkt met de Naam van de HEER. Hij was de glorieuze engelfiguur geweest die Ezechiël beschreef, in Eden geplaatst als het zegel van het goddelijke plan. De HEER God had de engelen opgedragen hem te vereren, en vervolgens was hij uit de hemel gevallen ten gevolge van de listen van Satan. De priesters die met de Babyloniërs tegen het nieuwe regime in Jeruzalem zouden geweten hebben van Adam de hogepriester. Hun leider, kortgeleden verdreven uit zijn hemelse tempel en zijn toevlucht nemend tot Arabië, zou zichzelf als Adam beschouwd hebben. Dit zou kunnen verklaren waarom de Kaäba een kubusvormige structuur is, exact zoals het heilige der heiligen in de tempel van Salomo dat een kubus van 20 el was, vanbinnen met bladgoud bedekt (1 Kon. 6:20). De Kaäba heeft bijna dezelfde grootte als Salomo’s heilige der heiligen33 en zou de tempel van de gevluchte priesters kunnen zijn geweest.

Aanwijzingen voor Adams oorspronkelijke rol kunnen onder de huidige Hebreeuwse tekst van Genesis beluisterd worden. Adam werd bevolen ‘vruchtbaar te zijn en zich te vermenigvuldigen, de aarde te vullen en te onderwerpen; en heerschappij te voeren …’ (Gen. 1:28). Op deze manier vertaald hebben de woorden vele problemen veroorzaakt. Maar er ligt een echo van de oudere Adam onder deze Hebreeuwse woorden:

  • ‘wees vruchtbaar’ lijkt heel erg op ‘wees prachtig’34;
  • ‘vermenigvuldigen’ kan ook betekenen ‘wees groot’35;
  • vervul de aarde [met glorie];
  • ‘onderwerp’ is gelijk aan ‘maak voor gebruik gereed’ of ‘genees’36;
  • ‘voer heerschappij’ impliceert het bewaren van de vrede zoals Salomo deed (1 Kon. 4:21, 24).

Dit was Adam de Koning en Hogepriester, bekleed met schoonheid en glorie en op de troon gezeten als het beeld van de HEER God. Maar Adam brak het verbond dat hem was toevertrouwd en derhalve was hij geen betrouwbaar zegel van het plan. Hier zijn in codevorm de trouweloze priesters weergegeven die Henoch beschreef, zij die Wijsheid prijsgaven en zo hun spirituele gezichtsvermogen verloren. Niets hiervan is in Genesis te vinden maar Hosea wist ervan aan het einde van de achtste eeuw v.C., het begin van de pro-Mozes omwenteling. Wanhopig over de zonde van zijn volk sprak de HEER door Hosea en zei:

Ik verlang bestendige liefde, geen offer,
En kennis van de engelen, eerder dan verbrande offerande.
Maar zoals Adam overtraden zij het verbond,
Zij waren trouweloos tegenover mij. (Hosea 6:6-7)

Het verbond met Adam moet gebaseerd zijn geweest op bestendige liefde en kennis van de engelen, en dit was niets meer geworden dan een cultus van bloedige offers.

De pro-Mozes groepering herdefinieerde het begrip verbond. Geleerden zagen al lang geleden dat het verbond in Sinai-stijl met de tien geboden in de oude Hebreeuwse teksten pas vanaf het einde van de zevende eeuw voorkomt. Met andere woorden dat verscheen in de tijd van Josia. Daarvoor was er het verbond geweest dat door de tempelhogepriesters hooggehouden was. Dit was het verbond dat de schepping in één groot systeem bijeenbond, en toen dit verbond verbroken werd, begon de schepping ineen te storten. Jesaja beschrijft zo’n tafereel, toen hemel en aarde verkwijnden omdat de mensen de godenbeelden geweld aangedaan hadden en het eeuwige verbond verbroken hadden (Jes. 24:5). De teksten in Jesaja van voor de ballingschap weten niets van Mozes en de tien geboden.37 Het was dit scheppingsverbond dat Adam diende te bevestigen door bestendige liefde en kennis van de engelen, dat wil zeggen kennis van de hemel. Dit verbond begon ineen te storten toen Adam voorkeur gaf aan kennis van de verboden boom, en de bodem derhalve vervloekt werd en dorens en distels voortbracht (Genesis 3:17-19). Hij had de levensboom verworpen en de Wijsheid die alle dingen met elkaar verbond (Spreuken 3:20 LXX), hij was het recht op toegang kwijtgeraakt tot de heilige olie, de olie van mededogen.

Deze Adam-ideologie was de mythe van de Davidische koningen geweest. Hier zijn voorbeelden uit drie koningspsalmen:

  • Psalm 89: David de dienaar van de HEER werd gezalfd, en de HEER beloofde hem te steunen met betrouwbaarheid en bestendige liefde. Hij werd zijn eerstgeboren zoon. Het fundament van zijn troon zouden rechtvaardigheid en recht zijn.
  • Psalm 72: het volk bad dat de HEER zijn recht en rechtvaardigheid aan de koning zou geven, zodat de bergen en de heuvels zouden bloeien en de armen geholpen zouden worden.
  • Psalm 110: De koning werd als de zoon van de HEER geboren in het heilige der heiligen wanneer hij gezalfd werd met ‘dauw’, de heilige olie. Hij werd een priester voor eeuwig, Melchizedek. Dit was niet een naam; het was een titel, geschreven als twee woorden: de koning van rechtvaardigheid / de koning die rechtvaardigheid brengt.

Met andere woorden, wanneer de Davidische vorst gezalfd werd, werd hij de eerstgeboren ‘zoon’ van de HEER, diens beeld. Dit was zijn hemelse geboorte, en in tempeltaal was dit opstanding. De gezalfde was pers definitie opgestaan. Zijn rechtvaardige bestuur, gebaseerd op bestendige liefde [de gave van de zalfolie], stelde de schepping in staat te bloeien en de menselijke samenleving te gedijen. Hij handhaafde het eeuwigdurende verbond omdat hij het zegel ervan was. Hij was de oorspronkelijke Adam.

In de Hebreeuwse schriften is er slechts één gedetailleerde beschrijving van een troonsbestijgingceremonie, en dat is het verslag van de Kroniekschrijver van hoe Salomo koning gemaakt werd (1 Kron. 29:20-25). De Hebreeuwse tekst is beschadigd maar wanneer hij gereconstrueerd wordt in het licht van de Griekse versie en ook van Psalm 110 die dezelfde ceremonie beschrijft, rijst uit de verwarring iets op. Allereerst is het duidelijk dat het verzamelde volk de HEER en de koning vereerde, maar in / als één persoon. De HEER was de koning en de-HEER-en-koning zat op de troon van de HEER. Het Engels is onveranderlijk een foutieve vertaling omdat het Hebreeuws zo onverwacht is. Ten tweede werd Salomo gezalfd voor een dubbele rol: als de HEER, de regeerder [letterlijk ‘de geopenbaarde’38 ] en als Zadok, de priester. Dit stemt overeen met Psalm 110:3, een andere beschadigde tekst, waar de menselijke vorst de zoon wordt van de HEER – ‘Ik heb je verwekt’ – en ook een priester naar het voorbeeld van Melchizedek. Dus werd Salomo de koning/priester, Melchi-Zedek.

Zadok/Zedek was een oude titel voor de priesterkoning in Jeruzalem en betekende ‘de Rechtvaardige’, ‘degene die rechtvaardig maakt’. AdoniZedek was koning in de tijd van Jozua (Jozua 10:1,3) en die naam heeft dezelfde vorm en betekenis als MelchiZedek. Zadok zalfde Salomo, maar Zadok was de titel van de priester, niet zijn persoonsnaam. De gemeenschap die in het Damascus Document beschreven is, beschouwde zich als de ware zonen van Zadok die niet op het verkeerde pad gegaan waren, en zij maakten voor zichzelf aanspraak op de profetieën van Ezechiël dat zij zouden dienen in de ware tempel wanneer die hersteld zou zijn (Ezech. 44:15-16). Er werden fragmenten van een Melchi-Zedek tekst in Qumran gevonden en zij tonen aan dat Melchizedek een goddelijke figuur was, waarvan verwacht werd dat hij opnieuw zou verschijnen precies in de tijd dat Jezus door Johannes de Doper gedoopt werd. Er waren hoge verwachtingen dat de tempel van Salomo in die tijd hersteld zou worden, of in ieder geval zijn hogepriesterschap.

De eerste christenen wisten dit alles; zij verklaarden Jezus tot de Messias, als de nieuwe Adam (Rom. 5:14; 1 Cor. 15:22, 45), als Melchizedek (Hebr. 7:11-17) en als de Rechtvaardige (Hand. 3:14). Een van hun eerste hymnen beschrijft Jezus als de Adamitische hogepriester die het eeuwigdurende verbond handhaaft.

Hij is het beeld van de onzichtbare God
De eerstgeborene van de hele schepping …
Hij gaat aan alle dingen vooraf,
En in hem hebben alle dingen hun bestaan … (Koloss. 1:15, 17).

De christenen geloofden dat het hogepriesterschap van de tempel van Salomo hersteld was. Zij geloofden ook dat de Vrouwe in haar tempel hersteld was en zo eerden zij Maria als de moeder van de HEER. Visioenen in het boek Openbaring beschrijven de zeven vlammende toortsen bij de troon en de levensboom bij de troon (Opb. 4:5; 22:2). Beide waren manieren om de ware menora te beschrijven die door Josia uit de tempel verbannen was. De Vrouwe werd opnieuw in de tempel gezien, haar zoon barend die opgenomen werd om op de troon van God te zitten (Opb. 11:19-12:6). De terugkeer van de menora betekende dat de levensboom, de Vrouwe, en haar zoon de Koning hersteld waren.

Voor ons is het tegenwoordig moeilijker om de tempel van Salomo te reconstrueren en zo te herstellen. Wij dienen onder de tekst van de Hebreeuwse schriften en onder de vele lagen van Bijbelse geleerdheid te graven die niet al te veel voorbij de Bijbelpagina’s zelf heeft willen kijken, en we moeten bereid zijn te erkennen dat teksten buiten de Bijbelcanon waardevolle informatie kunnen verschaffen over de tempel van Salomo, misschien meer informatie dan er in de Bijbel zelf aanwezig is.

[Noot vertaler: ik hoor graag van u (zie de email-link links bovenaan de pagina) hoe u deze tekst en informatie van Margaret Barker waardeert, en of u het op prijs zou stellen meer teksten van haar in het Nederlands te kunnen lezen en waarom. Zie ook Toelichting van vertaler. Een uitgebreider tekst van haar en inleiding tot haar werk is het kleine boek ‘Temple Theology’ waarop ik graag aandacht vestig.]

Back to top

[Noten]

1 M. Hengel, The Son of God, London: SCM, 1976, p.2. [Voor ‘terug naar hoofdtekst’: klik met rechter muisknop en dan op ‘Vorige’.]
2 Jerusalemse Talmoed Ta’anit 4.5, geschreven omstreeks 400 n.C.
3 Zie mijn boek Temple Themes in Christian Worship, London: T&T Clark, 2007.
4 Philo, Quaest. Gen. IV:97.
5 Bijvoorbeeld is er in het gedicht over Wijsheid in de Wijsheid van Jezus Sirach 24 verwarring in de tekst rondom de vss. 22-25, en zijn Mozes en de Wet ingevoegd in een gedicht over Wijsheid.
6 Zie D. Barthélemy, ‘Les Tiqquné Sopherim et la Critique Textuelle de L’Ancien Testament’, Supplements to Vetus Testamentum IX (1953), pp. 285-304. [Voor ‘terug naar hoofdtekst’: klik met rechter muisknop en dan op ‘Vorige’.]
7 Genesis Rabbah XXVI 5. Zie ook P. S. Alexander, ‘The Targumim and Early Exegesis of ‘Sons of God”, Journal of Jewish Studies 23 (1972), pp. 60-71.
8 Door bny ysr’l in bny ‘lhym te veranderen. De Qumrantekst is onderbroken, maar toont bny ‘l, dus er kan niet het Masoretische bny ysr’l gestaan hebben.
9 Jubileeën is deel van het Oude Testament in de oude kerk van Ethiopië.
10 Te beginnen met S. Mowinckel die dit beargumenteerde op basis van verscheidene psalmen en hun oorspronkelijke kader.
11 Mishna Sukkah 4.5. [Voor ‘terug naar hoofdtekst’: klik met rechter muisknop en dan op ‘Vorige’.]
12 Herder (of Pastor) van Hermas [noot vert.: bedoeld is de ‘beschermengel’ van Hermas die hem informatie doorgeeft], Gelijkenis viii:2.
13 Mishna Sukkah 5.4.
14 Het woord tak, zmwrh, zou een woordspeling kunnen zijn op zmmh, verderfelijk- of slechtheid, weerspiegeld in het LXX ‘muktèrizontes‘, scheldend, maar D.J.A. Clines, Concise Dictionary of Classical Hebrew, Sheffield, 2009, p. 101, stelt de betekenis ‘vieze lucht/geur’ voor.
15 Evenals voor de Essenen, Josephus, Over de Joodse Oorlog 2:128, en voor de Therapeuten in Egypte, Philo, Vita Contempl. 27.
16 Jubileeën 16:19-31. [Voor ‘terug naar hoofdtekst’: klik met rechter muisknop en dan op ‘Vorige’.]
17 1Q Isaiah A.
18 ‘alef’ in ‘ayin’.
19 Genesis Apocryphon XXI.
20 Babylonische Talmoed Sanhedrin 21b.
21 Zie ‘Atonement. The Rite of Healing’ in mijn boek The Great High Priest, London: T&T Clark, 2003, pp.42-55. [Voor ‘terug naar hoofdtekst’: klik met rechter muisknop en dan op ‘Vorige’.]
22 Numeri Rabbah XV:10; Babylonische Talmoed Horayoth 12a.
23 Origenes, Homil. Num., Hom. 4.
24 Clem. Recognit. 1.46.
25 Het Leven van Adam en Eva 36, 41, 42.
26 De tekst is een mengvorm van mannelijke en vrouwelijke vormen en daarom gebruik ik ‘het’. [Voor ‘terug naar hoofdtekst’: klik met rechter muisknop en dan op ‘Vorige’.]
27 Vergelijk LXX Ezechiël 28:13, dat de volledige lijst van hogepriesterlijke edelstenen heeft zoals in Exodus 28:17-20.
28 Genesis Rabbah XX:12.
29 J. P. Siegel, The Severus Scroll, Missoula MT (SBL) 1975.
30 Ephrem, Comm. Genesis 2. Zo ook in The Book of the Cave of Treasures, 1.
31 Het onderricht van Silvanus, CG VII.4.89. [Voor ‘terug naar hoofdtekst’: klik met rechter muisknop en dan op ‘Vorige’.]
32 Het Leven van Adam en Eva 12-16.
33 Als we een el opvatten als net iets meer dan 50 cm, dan zou dit het heilige der heiligen tot een kubus van ongeveer 11 meter maken. De Kaäba heeft een vloeropppervlak van ongeveer 11 bij 12 m en is 13 m hoog. Dit kan geen toeval zijn.
34 prh, wees vruchtbaar; p’r, wees prachtig.
35 rbh.
36 kbš, onderwerpen; chbš, in het gareel brengen, voor gebruik gereed maken, verbinden (v. wonden). [Voor ‘terug naar hoofdtekst’: klik met rechter muisknop en dan op ‘Vorige’.]
37 Een goede samenvatting van de geschiedenis van de verbondsconcepten is te vinden in E. W. Nicholson, God and his people: Covenant and Theology in the Old Testament, Oxford (Clarendon Pr.) 1986.
38 Het Hebreeuwse ngd betekent ‘wees opvallend’ namelijk om een mysterie aan te kondigen of te openbaren. De persoon is een ‘leider’ maar er is de implicatie van een leider die geopenbaard (aangewezen) is.

[ Toelichting van vertaler ]

[ De oorspronkelijke Engelse tekst is te vinden op de website van de auteur en als lezing op Youtube te vinden.

N.B. een toevoeging of noot van vertaler is aangegeven door vierkante haken [ ] en indien bij de hoofdtekst voorkomend, cursief gemaakt.


Dr. Margaret Barker, voormalig docent in Cambridge en eerder president van de Britse Society for Old Testament Study, is de eerste die in onze tijd de geschiedenis van de Hebreeuwse religie, de bewuste verberging ervan in de Joodse Bijbelcanon (het christelijke Oude Testament), en het herstel ervan in de christelijke traditie in beeld heeft gebracht. En wel op basis van de zorgvuldige herlezing van de Bijbel en met gebruikmaking van vele andere Joodse en christelijke bronnen, archeologische voorwerpen en historische gegevens.

Je kunt het bovenstaande artikel bijvoorbeeld lezen als een (uiterst) korte inleiding in het werk van Dr. Margaret Barker. Een iets langere inleiding tot haar werk is haar boekje ‘Temple Theology’ dat nog geen 100 bladzijden telt, en dat de bredere context van het onderwerp van dit artikel behandelt, onder meer over het eeuwige verbond van God met de mens, om de schepping te onderhouden en te herstellen, dat wil ook zeggen: de heelheid van mens en natuur, een uiterst actueel thema waar zij speciale aandacht aan heeft besteed. Over deze en de hieronder genoemde onderwerpen schreef zij de laatste twintig jaar een vijftiental boeken en daar komen er nog steeds bij. Tot nu toe wordt het beeld dat zij schetst, daardoor steeds helderder, zowel van de oorspronkelijke Hebreeuwse religie als van het herstel ervan in het christendom.
Een belangrijk aspect van haar werk is dat zij de goden naast de HEER, de Moeder van de HEER, de Vrouwe van de tempel, de Koningin van de hemel, en daarmee de uit het Joden- en christendom weggeschreven (maar nooit geheel vergeten) moedergodin en de gestalten ervan als Wijsheid en de Heilige Geest opnieuw in de schijnwerpers plaatst. Evenals het grote belang van het rituele herstel van evenwicht in alle verhoudingen zowel tussen de goddelijke wereld en die van de tempel, als vervolgens ook die op de aarde met inbegrip van mens en natuur! Uiteraard biedt zij met haar werk een belangrijke nieuwe invalshoek voor het nadenken over de man-vrouw-verhouding en de complexe en ingrijpende rol die Jodendom en christendom daarin hebben gespeeld.

Omdat de Joodse godsdienst waarvan de huidige canon van het Oude Testament naast de gezaghebbende Talmoed- en Mishna-teksten een weerslag is, de eraan voorafgaande Hebreeuwse aanwijsbaar veranderde en verdoezelde, zegt Margaret Barker op haar website wel dat de christenen ‘het verkeerde Oude Testament’ bezitten. Bovendien werd de canon van de Joodse Tenach, het christelijke Oude Testament, pas vastgesteld nadat Johannes de Doper en Jezus en hun volgelingen hun voorkeur voor het herstel van de Hebreeuwse tempel en godsdienst naar voren hadden gebracht. Een voorkeur die aantoonbaar op een bredere basis van tradities en geschriften is gebaseerd dan alleen die van dat Oude Testament.
Zij heeft bewezen dat niet het Oude Testament zoals wij dat in zijn huidige vorm kennen de belangrijkste bron is voor de voorgeschiedenis van het christendom maar dat de Hebreeuwse religie dat is die aan de Joodse voorafgaat. Het eeuwige verbond tussen God en zijn volk uit de Hebreeuwse religie is niet identiek aan wat wij de tekst van het ‘Oude Testament (=verbond!)’ noemen dat toegeschreven is naar de latere Mozesbeweging en haar wet.
De Hebreeuwse religie was die van Abraham en de verdere aartsvaders en -moeders en kende hogepriesters zoals Adam en Melchizedek, een godenfamilie net als in de omringende landen met behalve Jahweh ook Ashrata (beide bekend uit inscripties en teksten, waarbij in de latere teksten de naam consequent in Ashera veranderd en dus verdoezeld werd), de tempelvrouwe en koningin van de hemel, engelenvorsten, en bijzondere tempelgebruiken en -voorwerpen. Koning Josia voerde een grote hervorming door en reduceerde de veelheid tot één god; vele elementen uit de tempel van de Hebreeuwse religie werden daarbij verwijderd. Dat vindt haar grondslag in de Mozesbeweging die alleen Jahweh wilde vereren en daartoe het boek Deuteronomium in de tempel ‘vond’ dat de wet als uitgangspunt neemt. Hieruit groeide de ons uit het Oude Testament bekende Joodse religie.
De christenen wilden duidelijk de eerdere Hebreeuwse religie herstellen die buiten de officiële Joodse instellingen eeuwenlang overgeleverd bleef zoals we in Qumran vinden, maar deels ook in Egypte en Arabië. In deze lezing legt zij uit welke elementen in de Hebreeuwse religie belangrijk waren en hoe zij in het christendom terug te vinden zijn. Te weten niet alleen in de christelijke teksten waaronder die van het Nieuwe Testament maar ook in de wijze waarop christenen hun bijeenkomsten liturgisch vormgaven, en vooral in de voorstellingen van hoe de hemel en de aarde met elkaar verweven zijn. De tempel vormde het ontmoetingspunt, en van vele bewoners of voorwerpen ervan klinken de namen bekend: de koningin van de hemel, de Moeder van de Heer, de zoon van God, de engelen of godenzonen, en vele andere elementen en voorstellingen, zoals het voorhangsel en de heilige olie, de levensboom (al dan niet als gouden kandelaar) en de heilige troonwagen als troon of woonplaats van de godin, de aartsengelen tot de hogepriesters Adam en Christus … De tempel en zijn rituelen in de Hebreeuwse godsdienst symboliseerden de voorwaarden voor het welzijn van het volk en het land: de heelheid van de schepping, de eenheid van hemel en aarde en hun bewoners. Voor de christenen symboliseren zij tevens de heelheid van de schepping die hersteld wordt.


De werken van Margaret Barker voegden zoveel verbanden en dus inzicht toe aan de kennis die ik op dit gebied in mijn jeugd en theologische opleiding had opgedaan, en sloot zo goed aan bij de (beknopte) weergave van de godsdienstgeschiedenis van Jodendom en vroege christendom in mijn recente boek “Wat Jezus werkelijk zei” , dat ik uiterst verheugd ben deze bron van kennis en inzicht hier door te kunnen geven. ]